bestraffen
werkwoord bəˈstrɑfə(n)Betekenis
- straf uitdelen aan iemand
Hoe spreek je bestraffen uit?
/bəˈstrɑfən/
Bestraffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bestraffen
bestraffenhele werkwoord — bestrafteverleden tijd enkelvoud — bestraftenverleden tijd meervoud — bestraftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bestraf | bestrafte |
| jij | bestraft | bestrafte |
| hij, zij, het | bestraft | bestrafte |
| wij | bestraffen | bestraften |
| jullie | bestraffen | bestraften |
| zij | bestraffen | bestraften |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bestraf | gebiedende wijs |
| bestraffe | aanvoegende wijs |
| bestraffend | onvoltooid, deelwoord |
| bestraft | verleden tijd, deelwoord |
| bestraft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bestraft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bestraft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestraft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestraft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestraft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bestraft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bestraft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestraft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestraft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestrafte | verleden tijd |
| er is bestraft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bestraft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bestraft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bestraft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bestraft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bestraft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bestraft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bestraft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bestraft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bestraft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bestraft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bestraft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bestraft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bestraft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bestraft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestraft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bestraffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bestraft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bestraffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bestraft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bestraft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bestraft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bestraft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bestraft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bestraft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bestraft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bestraft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bestraft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bestraft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bestraft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bestraft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bestraft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bestraft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bestraft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestraft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bestraft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bestraft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bestraft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bestraffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bestraft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bestraft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bestraft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bestraffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bestraft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bestraft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bestraft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van straffen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bestraffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bestraf | gebiedende wijs | bestraffen |
| bestraffe | aanvoegende wijs | bestraffen |
| bestraft | voltooid deelwoord | bestraffen |
| bestrafte | verleden tijd | bestraffen |
| bestraften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bestraffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bestraffen zijn vastgelegd.