blaffen
werkwoord ˈblɑfə(n)Betekenis
- geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
- redeloos praten of schreeuwen, tieren
Hoe spreek je blaffen uit?
/ˈblɑfən/
Blaffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- redeloos praten of schreeuwen figuratively, informal, unergative
Vervoeging van blaffen
blaffenhele werkwoord — blafteverleden tijd enkelvoud — blaftenverleden tijd meervoud — geblaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaf | blafte |
| jij | blaft | blafte |
| hij, zij, het | blaft | blafte |
| wij | blaffen | blaften |
| jullie | blaffen | blaften |
| zij | blaffen | blaften |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blaf | gebiedende wijs |
| blaffe | aanvoegende wijs |
| blaffend | onvoltooid, deelwoord |
| blafte | verleden tijd |
| er is geblaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblaft | verleden tijd, deelwoord |
| geblaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘het natuurlijke (en vaak zeer irritante) geluid dat honden maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van blaffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blaft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blaffen |
| blafte | verleden tijd | blaffen |
| blaften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blaffen |
| geblaft | voltooid deelwoord | blaffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blaffen zijn vastgelegd.