verschaffen
werkwoord vərˈsxɑfə(n)Betekenis
- benodigdheden beschikbaar maken
- iets verkrijgen
Hoe spreek je verschaffen uit?
/vərˈsxɑfən/
Verschaffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- wederkerend iets verkrijgen
Vervoeging van verschaffen
verschaffenhele werkwoord — verschafteverleden tijd enkelvoud — verschaftenverleden tijd meervoud — verschaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verschaf | verschafte |
| jij | verschaft | verschafte |
| hij, zij, het | verschaft | verschafte |
| wij | verschaffen | verschaften |
| jullie | verschaffen | verschaften |
| zij | verschaffen | verschaften |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verschaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verschaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verschaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verschaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verschaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verschaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verschaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verschaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verschaffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verschaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschaf | gebiedende wijs |
| verschaffe | aanvoegende wijs |
| verschaffend | onvoltooid, deelwoord |
| verschaft | verleden tijd, deelwoord |
| verschaft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verschaft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verschaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschaft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschaft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschaft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verschaft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verschaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschaft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschaft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschafte | verleden tijd |
| waart verschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verschaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verschaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verschaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verschaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verschaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verschaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verschaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verschaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verschaffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verschaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verschaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verschaft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Duits verschaffen, in de betekenis van ‘bezorgen’ aangetroffen vanaf 1534
Woordfamilie van verschaffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verschaf | gebiedende wijs | verschaffen |
| verschaffe | aanvoegende wijs | verschaffen |
| verschaffend | onvoltooid deelwoord | verschaffen |
| verschaffende | woordvorm | verschaffen |
| verschaft | voltooid deelwoord | verschaffen |
| verschafte | verleden tijd | verschaffen |
| verschaften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verschaffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verschaffen zijn vastgelegd.