storm
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈstɔrᵊmBetekenis
- erg harde wind (minstens windkracht 9)
- bui
- storm
- stormen 1, hard waaien
- aanvallen, bestormen
Hoe spreek je storm uit?
/ˈstɔrəm/
Storm bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- ophef, drukte figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stormen | meervoud |
| stormpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stormpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stormen
- gebiedende wijs van stormen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stormen
Vervoeging van storm
stormhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands storm van Oudnederlands stormo "aanval, oproer", In de betekenis van "hevige wind" aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van storm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stormpje | verkleinwoord | storm |
| stormpjes | verkleinwoord meervoud | storm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van storm zijn vastgelegd.