vorm
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈvɔrᵊmBetekenis
- ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
- sjabloon of bak waarin iets gegoten of geperst kan worden
- (veranderlijke) toestand van iets concreets
- lichamelijke conditie
- lijdende ~, passieve ~, → lijdende vorm
- actieve ~, vormen van het werkwoord waarmee wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handeling actief verricht
- manier, methode
- vormen
Hoe spreek je vorm uit?
/ˈvɔrəm/
Vorm bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- toestand van iets concreets
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vormen | meervoud |
| vormpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vormpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
- gebiedende wijs van vormen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
Vervoeging van vorm
vormhele werkwoord
Herkomst
zn: via Middelnederlands vorme en Frans forme van Latijn forma, in de betekenis van ‘uiterlijke gedaante’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van vorm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vormpje | verkleinwoord | vorm |
| vormpjes | verkleinwoord meervoud | vorm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vorm zijn vastgelegd.