stormlopen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bestormen
Vervoeging van stormlopen
stormlopenhele werkwoord — liep stormverleden tijd enkelvoud — liepen stormverleden tijd meervoud — stormgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop storm | liep storm |
| jij | loopt storm | liep storm |
| hij, zij, het | loopt storm | liep storm |
| wij | lopen storm | liepen storm |
| jullie | lopen storm | liepen storm |
| zij | lopen storm | liepen storm |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had stormgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stormgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stormgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stormgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stormgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stormgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stormgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stormgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stormgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep storm | verleden tijd |
| loop storm | gebiedende wijs |
| storm te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| storm te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| storm zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| storm zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| storm zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| storm zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| storm zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| storm zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| storm zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| stormgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| stormgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stormgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stormliep | bijzin, verleden tijd |
| stormliepen | bijzin, verleden tijd |
| stormloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stormloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stormlopend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben stormgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stormlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stormlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stormlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stormlopen storm zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stormlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stormgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stormlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stormlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stormlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult stormgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stormlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stormlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stormlopen storm zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stormloop
Herkomst
samenstelling van storm en lopen
Woordfamilie van stormlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep storm | verleden tijd | stormlopen |
| liepen storm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stormlopen |
| loop storm | gebiedende wijs | stormlopen |
| loopt storm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stormlopen |
| lope storm | woordvorm | stormlopen |
| lopen storm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stormlopen |
| stormgelopen | voltooid deelwoord | stormlopen |
| stormliep | subordinate-clause, verleden tijd | stormlopen |
| stormliepen | subordinate-clause, verleden tijd | stormlopen |
| stormloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stormlopen |
| stormlope | with-subordinate-clause | stormlopen |
| stormlopend | onvoltooid deelwoord | stormlopen |
| stormlopende | woordvorm | stormlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stormlopen zijn vastgelegd.