Naar de inhoud

stormlopen

bestormen

stormlopen is meer dan één woord

stormlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. bestormen

Vervoeging van stormlopen

stormlopenhele werkwoord — liep stormverleden tijd enkelvoud — liepen stormverleden tijd meervoud — stormgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop storm liep storm
jij loopt storm liep storm
hij, zij, het loopt storm liep storm
wij lopen storm liepen storm
jullie lopen storm liepen storm
zij lopen storm liepen storm
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had stormgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had stormgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had stormgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden stormgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden stormgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden stormgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt stormgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben stormgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft stormgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep storm verleden tijd
loop storm gebiedende wijs
storm te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
storm te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
storm zal lopen bijzin, toekomende tijd
storm zou lopen bijzin, voorwaardelijk
storm zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
storm zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
storm zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
storm zullen lopen bijzin, toekomende tijd
storm zult lopen bijzin, toekomende tijd
stormgelopen verleden tijd, deelwoord
stormgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
stormgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
stormliep bijzin, verleden tijd
stormliepen bijzin, verleden tijd
stormloop bijzin, tegenwoordige tijd
stormloopt bijzin, tegenwoordige tijd
stormlopend onvoltooid, deelwoord
te hebben stormgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen stormlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal stormlopen bijzin, toekomende tijd
zou stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou stormlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) stormlopen storm zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden stormlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt stormgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt stormlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen stormlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen stormlopen bijzin, toekomende tijd
zult stormgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult stormlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult stormlopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal stormlopen storm zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord stormloop

Herkomst

samenstelling van storm en lopen

Woordfamilie van stormlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep storm verleden tijd stormlopen
liepen storm aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon stormlopen
loop storm gebiedende wijs stormlopen
loopt storm aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon stormlopen
lope storm woordvorm stormlopen
lopen storm aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon stormlopen
stormgelopen voltooid deelwoord stormlopen
stormliep subordinate-clause, verleden tijd stormlopen
stormliepen subordinate-clause, verleden tijd stormlopen
stormloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd stormlopen
stormlope with-subordinate-clause stormlopen
stormlopend onvoltooid deelwoord stormlopen
stormlopende woordvorm stormlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stormlopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over stormlopen

Wat betekent stormlopen?
Stormlopen is een werkwoord. Het woord betekent: bestormen.
Hoe vervoeg je stormlopen?
Je vervoegt stormlopen als volgt: het voltooid deelwoord is stormgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord stormlopen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. O 1
  4. R 2
  5. M 3
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

stormlopen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. O 1
  4. R 2
  5. M 3
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

stormlopen in het kort

stormlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van stormlopen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort stormlopen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

stormlopen: bestormen
Deel stormlopen — standaardnederlands.nl