Naar de inhoud

schorsen

voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren

schorsen is meer dan één woord

schorsen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxɔrsə(n)

Betekenis

  1. voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
  2. (een vergadering of rechtszitting) tijdelijk onderbreken

Hoe spreek je schorsen uit?

/ˈsxɔrsən/

Schorsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxɔrsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
ɔ bot
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. tijdelijk onderbreken transitive

Vervoeging van schorsen

schorsenhele werkwoord — schorsteverleden tijd enkelvoud — schorstenverleden tijd meervoud — geschorstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schors schorste
jij schorst schorste
hij, zij, het schorst schorste
wij schorsen schorsten
jullie schorsen schorsten
zij schorsen schorsten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschorst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschorst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschorst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschorst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschorst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschorst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschorst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschorst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschorst verleden tijd, deelwoord
geschorst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschorst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschorst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschorst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschorst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschorst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschorst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschorst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschorst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschorst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschorst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschorst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschorst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschorst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschorst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schors gebiedende wijs
schorse aanvoegende wijs
schorsend onvoltooid, deelwoord
schorste verleden tijd
te hebben geschorst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schorsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schorsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschorst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschorst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschorst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschorst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschorst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschorst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschorst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschorst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschorst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschorst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschorst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschorst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschorst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschorst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schorsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschorst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschorst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschorst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schorsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschorst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschorst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschorst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schorsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schors

Herkomst

ww: via Middelnederlands schorsen vermoedelijk van Oudfrans escorcier, in de betekenis ‘uitstellen’ aangetroffen vanaf 1300

Woordfamilie van schorsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschorst voltooid deelwoord schorsen
geschorste woordvorm schorsen
schorse aanvoegende wijs schorsen
schorsend onvoltooid deelwoord schorsen
schorsende woordvorm schorsen
schorsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schorsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schorsen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over schorsen

Hoe spreek je schorsen uit?
De uitspraak van schorsen is: /ˈsxɔrsə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent schorsen?
Schorsen is een werkwoord. Het woord betekent: voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je schorsen?
Je vervoegt schorsen als volgt: de tegenwoordige tijd is schors, de verleden tijd is schorste en het voltooid deelwoord is geschorst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op schorsen?

Schorsen rijmt op 2 woorden op -orsen; morsen en horsen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op schorsen, uitspraak ˈsxɔrsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
morsen 2
horsen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schorsen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schorsen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schorsen in het kort

schorsen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van schorsen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schorsen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schorsen: voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
Deel schorsen — standaardnederlands.nl