schors
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord /sxɔrs/Betekenis
- buitenste laag van planten en bomen
Hoe spreek je schors uit?
/sxɔrs/
Schors bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɔ | bot |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- buitenste laag van stengels, takken en wortels bij houtige vaatplanten, in het bijzonder het dode kurkweefsel (niet te verwarren met de bast, die er levend vlak onder ligt)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schorsen | meervoud |
| schorsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schorsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
- gebiedende wijs van schorsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
Vervoeging van schors
schorshele werkwoord
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van schor
Herkomst
In de betekenis van ‘buitenste laag van (boom)stam’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van schors
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schorsje | verkleinwoord | schors |
| schorsjes | verkleinwoord meervoud | schors |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schors zijn vastgelegd.