Naar de inhoud

uitstellen

naar een later tijdstip verschuiven

uitstellen

werkwoord ˈœytstɛlə(n)

Betekenis

  1. naar een later tijdstip verschuiven

Hoe spreek je uitstellen uit?

/ˈœytstɛlən/

Uitstellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytstɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
ɛ bed
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitstellen

uitstellenhele werkwoord — stelde uitverleden tijd enkelvoud — stelden uitverleden tijd meervoud — uitgesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stel uit stelde uit
jij stelt uit stelde uit
hij, zij, het stelt uit stelde uit
wij stellen uit stelden uit
jullie stellen uit stelden uit
zij stellen uit stelden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgesteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgesteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgesteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgesteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgesteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgesteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stel uit gebiedende wijs
stelde uit verleden tijd
te hebben uitgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te stellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal stellen bijzin, toekomende tijd
uit zou stellen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden stellen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt stellen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen stellen bijzin, toekomende tijd
uit zult stellen bijzin, toekomende tijd
uitgesteld verleden tijd, deelwoord
uitgesteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitstel bijzin, tegenwoordige tijd
uitstelde bijzin, verleden tijd
uitstelden bijzin, verleden tijd
uitstellend onvoltooid, deelwoord
uitstelt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitstellen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitstellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitstellen uit zou(dt) stellen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitstellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitstellen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitstellen bijzin, toekomende tijd
zult uitgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en stellen ww

Woordfamilie van uitstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stel uit gebiedende wijs uitstellen
stelde uit verleden tijd uitstellen
stelden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstellen
stelle uit woordvorm uitstellen
stellen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitstellen
stelt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitstellen
uitgesteld voltooid deelwoord uitstellen
uitstelde subordinate-clause, verleden tijd uitstellen
uitstelden subordinate-clause, verleden tijd uitstellen
uitstelle with-subordinate-clause uitstellen
uitstellend onvoltooid deelwoord uitstellen
uitstellende woordvorm uitstellen
uitstelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitstellen

Hoe spreek je uitstellen uit?
De uitspraak van uitstellen is: /ˈœytstɛlə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitstellen?
Uitstellen is een werkwoord. Het woord betekent: naar een later tijdstip verschuiven.
Hoe vervoeg je uitstellen?
Je vervoegt uitstellen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgesteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitstellen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitstellen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitstellen in het kort

uitstellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitstellen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitstellen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitstellen: naar een later tijdstip verschuiven
Deel uitstellen — standaardnederlands.nl