morsen
werkwoord /'mɔrsə(n)/Betekenis
- materiaal daar laten belanden waar niet thuis hoort
Hoe spreek je morsen uit?
/ˈmɔrsən/
Morsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van morsen
morsenhele werkwoord — morsteverleden tijd enkelvoud — morstenverleden tijd meervoud — gemorstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mors | morste |
| jij | morst | morste |
| hij, zij, het | morst | morste |
| wij | morsen | morsten |
| jullie | morsen | morsten |
| zij | morsen | morsten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemorst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemorst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemorst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemorst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemorst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemorst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemorst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemorst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemorst | verleden tijd, deelwoord |
| gemorst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemorst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemorst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemorst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemorst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemorst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemorst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemorst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemorst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemorst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemorst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mors | gebiedende wijs |
| morse | aanvoegende wijs |
| morsend | onvoltooid, deelwoord |
| morste | verleden tijd |
| te hebben gemorst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te morsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen morsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemorst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt morsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen morsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemorst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult morsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘knoeien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1615
Woordfamilie van morsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemorst | voltooid deelwoord | morsen |
| morsend | onvoltooid deelwoord | morsen |
| morsende | woordvorm | morsen |
| morst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | morsen |
| morste | verleden tijd | morsen |
| morsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | morsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van morsen zijn vastgelegd.