schenken
werkwoord /'sxɛŋ.kə(n)/Betekenis
- geven, cadeau doen; doneren
- in een ander vat laten vloeien, overgieten
Hoe spreek je schenken uit?
/ˈsxɛŋkən/
Schenken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- overdragen van bezit aan iemand anders (zonder tegenprestatie) ditransitive
- vergeving schenken: iemand iets vergeven
- aandacht schenken: ergens aandacht voor hebben
Vervoeging van schenken
schenkenhele werkwoord — schonkverleden tijd enkelvoud — schonkenverleden tijd meervoud — geschonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schenk | schonk |
| jij | schenkt | schonk |
| hij, zij, het | schenkt | schonk |
| wij | schenken | schonken |
| jullie | schenken | schonken |
| zij | schenken | schonken |
Alle 187 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschonken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschonken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschonken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschonken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschonken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschonken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschonken | verleden tijd, deelwoord |
| geschonken gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschonken gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschonken gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonken gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschonken krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschonken te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschonken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschonken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonken te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschonken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschonken zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschonken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschonken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt geschonken gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschonken gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| schenk | gebiedende wijs |
| schenke | aanvoegende wijs |
| schenkend | onvoltooid, deelwoord |
| schonk | verleden tijd |
| te hebben geschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schenken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschonken gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonken gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschonken krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonken krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschonken gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonken gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonken gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschonken krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonken krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschonken krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschonken gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschonken gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gieten’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van schenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschonken | voltooid deelwoord | schenken |
| schenk | gebiedende wijs | schenken |
| schenke | aanvoegende wijs | schenken |
| schenkend | onvoltooid deelwoord | schenken |
| schenkende | woordvorm | schenken |
| schenkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schenken zijn vastgelegd.