schonk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- grof bot, zoals een dijbeen of bovernarmbeen
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- grof bot, zoals een dijbeen of bovenarmbeen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schonken | meervoud |
| schonkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schonkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van schenken
Vervoeging van schonk
schonkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626
Woordfamilie van schonk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schonkje | verkleinwoord | schonk |
| schonkjes | verkleinwoord meervoud | schonk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schonk zijn vastgelegd.