munt
zelfstandig naamwoord, werkwoord mʏntBetekenis
- een plant met sterk aromatische blaadjes waarvan muntthee wordt getrokken en die als keukenkruid wordt gebruikt, pepermunt, akkermunt en kruizemunt
- geldstuk
- instelling waar geld gemunt wordt
- muntzijde van geldstuk
- geldsoort
Hoe spreek je munt uit?
/mʏnt/
Munt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ʏ | put |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een geslacht Mentha van vaste planten uit de lipbloemenfamilie (Lamiaceae). Ze hebben sterk geurende stoffen (menthol) die gebruikt worden in diverse producten als smaak- en geurstof, bijvoorbeeld in snoep, thee en tandpasta. De muntolie wordt met name gewonnen uit pepermunt en aarmunt. In de supermarkt of bij de groenteboer wordt meestal aarmunt verkocht
- sterk aromatische blaadjes van Mentha waarvan muntthee wordt getrokken en die als keukenkruid wordt gebruikt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| munten | enkelvoud |
| muntje | verkleinwoord, tweede persoon |
| muntjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van munten
- gebiedende wijs van munten
Vervoeging van munt
munthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geldstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van munt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| muntje | verkleinwoord, 2e persoon | munt |
| muntjes | verkleinwoord | munt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van munt zijn vastgelegd.