prak
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- hoeveelheid fijngemaakte (geprakte) door elkaar gemengde materie (meestal eten)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prakjes | verkleinwoord, meervoud |
| prakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prakken
- gebiedende wijs van prakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prakken
Vervoeging van prak
prakhele werkwoord
Woordfamilie van prak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prakje | verkleinwoord | prak |
| prakjes | verkleinwoord meervoud | prak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prak zijn vastgelegd.