percipiëren
werkwoordBetekenis
- waarnemen
Vervoeging van percipiëren
percipiërenhele werkwoord — percipieerdeverleden tijd enkelvoud — percipieerdenverleden tijd meervoud — gepercipieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | percipieer | percipieerde |
| jij | percipieert | percipieerde |
| hij, zij, het | percipieert | percipieerde |
| wij | percipiëren | percipieerden |
| jullie | percipiëren | percipieerden |
| zij | percipiëren | percipieerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepercipieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepercipieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepercipieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepercipieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepercipieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepercipieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepercipieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepercipieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepercipieerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepercipieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepercipieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepercipieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepercipieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepercipieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepercipieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepercipieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepercipieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepercipieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepercipieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepercipieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| percipieer | gebiedende wijs |
| percipieerde | verleden tijd |
| percipiëre | aanvoegende wijs |
| percipiërend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepercipieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te percipiëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen percipiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepercipieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepercipieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepercipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepercipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepercipieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepercipieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepercipieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepercipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepercipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepercipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen percipiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepercipieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepercipieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepercipieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult percipiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘waarnemen, begrijpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1592
Woordfamilie van percipiëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepercipieerd | voltooid deelwoord | percipiëren |
| percipieer | gebiedende wijs | percipiëren |
| percipieerde | verleden tijd | percipiëren |
| percipieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | percipiëren |
| percipieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | percipiëren |
| percipiëre | aanvoegende wijs | percipiëren |
| percipiërend | onvoltooid deelwoord | percipiëren |
| percipiërende | woordvorm | percipiëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van percipiëren zijn vastgelegd.