part
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɑrtBetekenis
- deel, gedeelte, onderdeel, stuk
- list, streek
- deel, gedeelte
- rol
- afscheid nemen
- deel
- manier, methode, werkwijze
- port
- partij; een deel in een muziekstuk dat betrekking heeft op één instrument of zangstem
- rol; een uitbeelding van een personage in een film of toneelstuk
Hoe spreek je part uit?
/pɑrt/
Part bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parten | meervoud |
| partje | verkleinwoord, enkelvoud |
| partjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van parten
- gebiedende wijs van parten
Vervoeging van part
parthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘deel’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van part
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| partje | verkleinwoord | part |
| partjes | verkleinwoord meervoud | part |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van part zijn vastgelegd.