gard
zelfstandig naamwoord ɣɑrtBetekenis
- een roe
- stad
- tuin
- hek, omheining
- iets, dat vergelijkbaar is met een hek, bijv. een mensenketting
- boerderij, boerenbedrijf, boerenhoeve, boerenhofstede, boerenhofstee, hoeve, hofstede, hofstee
- hof
- woonhuis, huis met winkels en kantoren (in een stad)
- regio, land
- woning, onderkomen
- opzicht
- en garde; de beginpositie bij het schermen
- garde
- hledisko
- střeh
Hoe spreek je gard uit?
/xɑrt/
Gard bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| garden | meervoud |
| gardje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gardjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘strafwerktuig, roe’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van gard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| garden | meervoud | gard |
| gardje | verkleinwoord | gard |
| gardjes | verkleinwoord meervoud | gard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gard zijn vastgelegd.