kart
zelfstandig naamwoord, werkwoord kɑrtBetekenis
- klein vierwielig eenzitsvoertuig zonder carrosserie gemaakt voor gebruik op een racebaan
- kaart
- kwart; een vierde deel
- kwartier; een kwart uur
Hoe spreek je kart uit?
/kɑrt/
Kart bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kartjes | verkleinwoord, meervoud |
| karts | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karren
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karren
- gebiedende wijs meervoud van karren
- enkelvoud tegenwoordige tijd van karten
- gebiedende wijs van karten
Vervoeging van kart
karthele werkwoord
Herkomst
van Engels kart, in de betekenis van ‘skelter’ voor het eerst aangetroffen in 1961
Woordfamilie van kart
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kartje | verkleinwoord | kart |
| kartjes | verkleinwoord meervoud | kart |
| karts | meervoud | kart |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kart zijn vastgelegd.