hard
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord /ɦɑrt/Betekenis
- stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
- psychologisch tegen veel bestand, voor niets terugdeinzend
- streng
- met veel inzet en energie
- met grote snelheid
- paal
- hard
- flink, fors
- streng, bar
Hoe spreek je hard uit?
/hɑrt/
Hard bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als hart.
bijvoeglijk naamwoord
- krachtig
- met grote geluidssterkte
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| harde | verbogen, stellende trap |
| harder | onverbogen, vergrotende trap |
| hardere | verbogen, vergrotende trap |
| harders | partitief, vergrotende trap |
| hards | partitief, stellende trap |
| hardst | onverbogen, overtreffende trap |
| hardste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
- gebiedende wijs van harden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
Vervoeging van hard
hardhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid, meedogenloos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van hard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hardere | verbogen vergrotende trap | hard |
| hards | partitive, positive | hard |
| hardst | uninflected, superlative | hard |
| hardste | inflected, superlative | hard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hard zijn vastgelegd.