parten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈpɑrtə(n)/Betekenis
- verdelen
- erven
Hoe spreek je parten uit?
/ˈpɑrtən/
Parten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van parten
partenhele werkwoord — partteverleden tijd enkelvoud — parttenverleden tijd meervoud — gepartvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | part | partte |
| jij | part | partte |
| hij, zij, het | part | partte |
| wij | parten | partten |
| jullie | parten | partten |
| zij | parten | partten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepart | verleden tijd, deelwoord |
| gepart te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepart zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| part | gebiedende wijs |
| parte | aanvoegende wijs |
| partend | onvoltooid, deelwoord |
| partte | verleden tijd |
| te hebben gepart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te parten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen parten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt parten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen parten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult parten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord part
Woordfamilie van parten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepart | voltooid deelwoord | parten |
| geparte | woordvorm | parten |
| parte | aanvoegende wijs | parten |
| partend | onvoltooid deelwoord | parten |
| partende | woordvorm | parten |
| partte | verleden tijd | parten |
| partten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | parten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parten zijn vastgelegd.