opscheppen
werkwoord ˈɔpsxɛpə(n)Betekenis
- voedsel uit een schaal of pan op een bord doen
- aangedikte beweringen slaken
Hoe spreek je opscheppen uit?
/ˈɔpsxɛpən/
Opscheppen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aangedikte beweringen doen, iets veel groter/indrukwekkender voorstellen dan het eigenlijk is (met als doel de eigen roem te vergroten) unergative
Vervoeging van opscheppen
opscheppenhele werkwoord — schepte opverleden tijd enkelvoud — schepten opverleden tijd meervoud — opgescheptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schep op | schepte op |
| jij | schept op | schepte op |
| hij, zij, het | schept op | schepte op |
| wij | scheppen op | schepten op |
| jullie | scheppen op | schepten op |
| zij | scheppen op | schepten op |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is opgeschept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te scheppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen scheppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal scheppen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou scheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden scheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt scheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen scheppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen scheppen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult scheppen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschept | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opscheppend | onvoltooid, deelwoord |
| opschept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschepte | bijzin, verleden tijd |
| opschepten | bijzin, verleden tijd |
| schep op | gebiedende wijs |
| schepte op | verleden tijd |
| te hebben opgeschept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opscheppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opscheppen | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opscheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opscheppen op zou(dt) scheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opscheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opscheppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opscheppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opscheppen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opscheppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opscheppen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opscheppen op zult/zal scheppen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘snoeven’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van opscheppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschept | voltooid deelwoord | opscheppen |
| opgeschepte | woordvorm | opscheppen |
| opschep | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opscheppen |
| opscheppe | with-subordinate-clause | opscheppen |
| opscheppend | onvoltooid deelwoord | opscheppen |
| opscheppende | woordvorm | opscheppen |
| opschept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opscheppen |
| opschepte | subordinate-clause, verleden tijd | opscheppen |
| opschepten | subordinate-clause, verleden tijd | opscheppen |
| schep op | gebiedende wijs | opscheppen |
| scheppe op | woordvorm | opscheppen |
| scheppen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opscheppen |
| schept op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opscheppen |
| schepte op | verleden tijd | opscheppen |
| schepten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opscheppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opscheppen zijn vastgelegd.