Naar de inhoud

opsnijden

opscheppen, snoeven

opsnijden

werkwoord

Betekenis

  1. opscheppen, snoeven
  2. snijden tot alles op is

Vervoeging van opsnijden

opsnijdenhele werkwoord — sneed opverleden tijd enkelvoud — sneden opverleden tijd meervoud — opgesnedenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snij op sneed op
jij snijdt op sneed op
hij, zij, het snijdt op sneed op
wij snijden op sneden op
jullie snijden op sneden op
zij snijden op sneden op
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgesneden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgesneden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgesneden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgesneden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgesneden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgesneden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te snijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal snijden bijzin, toekomende tijd
op zou snijden bijzin, voorwaardelijk
op zouden snijden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt snijden bijzin, voorwaardelijk
op zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen snijden bijzin, toekomende tijd
op zult snijden bijzin, toekomende tijd
opgesneden verleden tijd, deelwoord
opgesneden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesneden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesneden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesneden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesneden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesneden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesneden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesneden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesneden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesneden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opsneden bijzin, verleden tijd
opsneed bijzin, verleden tijd
opsnij bijzin, tegenwoordige tijd
opsnijd bijzin, tegenwoordige tijd
opsnijdend onvoltooid, deelwoord
opsnijdt bijzin, tegenwoordige tijd
sneed op verleden tijd
snij op gebiedende wijs
snijd op gebiedende wijs
te hebben opgesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opsnijden bijzin, toekomende tijd
zijn opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opsnijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opsnijden op zou(dt) snijden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opsnijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opsnijden bijzin, voorwaardelijk
zullen opgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘grootspreken’ voor het eerst aangetroffen in 1653

Woordfamilie van opsnijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgesneden voltooid deelwoord opsnijden
opsneden subordinate-clause, verleden tijd opsnijden
opsneed subordinate-clause, verleden tijd opsnijden
opsnij subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsnijden
opsnijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsnijden
opsnijde with-subordinate-clause opsnijden
opsnijdend onvoltooid deelwoord opsnijden
opsnijdende woordvorm opsnijden
opsnijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsnijden
sneden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opsnijden
sneed op verleden tijd opsnijden
snij op gebiedende wijs opsnijden
snijd op gebiedende wijs opsnijden
snijde op woordvorm opsnijden
snijden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opsnijden
snijdt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opsnijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsnijden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over opsnijden

Wat betekent opsnijden?
Opsnijden is een werkwoord. Het woord betekent: opscheppen, snoeven. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opsnijden?
Je vervoegt opsnijden als volgt: het voltooid deelwoord is opgesneden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opsnijden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. N 1
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opsnijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. N 1
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opsnijden in het kort

opsnijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opsnijden zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opsnijden bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opsnijden: opscheppen, snoeven
Deel opsnijden — standaardnederlands.nl