bluffen
werkwoord ˈblʏfə(n)Betekenis
- een onjuiste positieve indruk proberen te wekken
- opscheppen
- (bij uitbreiding) een voor de tegenstander misleidende tactiek toepassen, bijvoorbeeld bij kaartspelen.
Hoe spreek je bluffen uit?
/ˈblʏfən/
Bluffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ʏ | put |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een voor de tegenstander misleidende tactiek toepassen, bijvoorbeeld bij kaartspelen. unergative
Vervoeging van bluffen
bluffenhele werkwoord — blufteverleden tijd enkelvoud — bluftenverleden tijd meervoud — gebluftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bluf | blufte |
| jij | bluft | blufte |
| hij, zij, het | bluft | blufte |
| wij | bluffen | bluften |
| jullie | bluffen | bluften |
| zij | bluffen | bluften |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bluf | gebiedende wijs |
| bluffe | aanvoegende wijs |
| bluffend | onvoltooid, deelwoord |
| blufte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebluft | verleden tijd, deelwoord |
| gebluft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebluft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebluft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebluft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebluft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebluft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebluft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebluft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebluft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebluft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebluft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bluffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebluft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bluffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebluft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bluffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bluffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebluft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘pochen’ voor het eerst aangetroffen in 1855
Woordfamilie van bluffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bluffe | aanvoegende wijs | bluffen |
| bluffend | onvoltooid deelwoord | bluffen |
| bluffende | woordvorm | bluffen |
| bluft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bluffen |
| blufte | verleden tijd | bluffen |
| bluften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bluffen |
| gebluft | voltooid deelwoord | bluffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bluffen zijn vastgelegd.