Naar de inhoud

ontlasten

een last verminderen

ontlasten

werkwoord ɔntˈlɑstə(n)

Betekenis

  1. een last verminderen
  2. een belasting verminderen
  3. zich ~ zich ontdoen van zijn uitwerpselen

Hoe spreek je ontlasten uit?

/ɔntˈlɑstən/

Ontlasten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔntˈlɑstən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
t tak
l land
ɑ bad
s sok
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontlasten

ontlastenhele werkwoord — ontlastteverleden tijd enkelvoud — ontlasttenverleden tijd meervoud — ontlastvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontlast ontlastte
jij ontlast ontlastte
hij, zij, het ontlast ontlastte
wij ontlasten ontlastten
jullie ontlasten ontlastten
zij ontlasten ontlastten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontlast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontlast impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontlast impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontlast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontlast worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontlast zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontlast worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontlast zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontlast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontlast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontlast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontlast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontlast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontlast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontlast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontlast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontlast gebiedende wijs
ontlast verleden tijd, deelwoord
ontlast je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlast me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlast te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlast te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlast te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlast te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlast te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlast u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlast u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlast u/je , ontlast je gebiedende wijs
ontlast worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlast zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlast zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlast zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlast zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlast zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlast zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlast zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlaste aanvoegende wijs
ontlaste zich aanvoegende wijs
ontlasten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlasten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlasten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlastend onvoltooid, deelwoord
ontlastte verleden tijd
ontlastte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlastte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlastte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontlastte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlastte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlastte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontlastte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlastten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlastten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontlastten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben ontlast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontlasten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontlasten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontlast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontlast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlast voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontlast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontlast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontlast voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontlast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontlast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontlast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontlast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontlast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontlast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontlast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ontlasten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontlast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontlast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontlast zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlast zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich ontlasten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontlasten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontlast hebben verleden tijd
zich ontlastend onvoltooid, deelwoord
zijn ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontlast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt ontlast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlast zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je ontlasten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontlasten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontlast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontlast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van last (stam van het werkwoord lasten) met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van ontlasten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontlast voltooid deelwoord ontlasten
ontlaste aanvoegende wijs ontlasten
ontlastend onvoltooid deelwoord ontlasten
ontlastende woordvorm ontlasten
ontlastte verleden tijd ontlasten
ontlastten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontlasten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontlasten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ontlasten

Hoe spreek je ontlasten uit?
De uitspraak van ontlasten is: /ɔntˈlɑstə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent ontlasten?
Ontlasten is een werkwoord. Het woord betekent: een last verminderen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je ontlasten?
Je vervoegt ontlasten als volgt: de tegenwoordige tijd is ontlast, de verleden tijd is ontlastte en het voltooid deelwoord is ontlast. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontlasten?

Op ontlasten rijmen 16 woorden, onder andere tasten, afgelasten en belasten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontlasten, uitspraak ɔntˈlɑstən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
tasten 2
afgelasten 4
belasten 3
kasten 2
gasten 2
lasten 2
casten 2
badkamerkasten 5
bezemkasten 4
boekenkasten 4
kettingkasten 4
keukenkasten 4
ladekasten 4
ribbenkasten 4
spasten 2
winkelkasten 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontlasten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontlasten levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontlasten in het kort

ontlasten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van ontlasten zijn 101 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ontlasten bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ontlasten: een last verminderen
Deel ontlasten — standaardnederlands.nl