belasten
werkwoord bəˈlɑstə(n)Betekenis
- gewichten plaatsen op
- als prestatie vergen
- opdracht geven tot
- iets bezwaren met een verplichting bijv. belasting heffen op
- zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
Hoe spreek je belasten uit?
/bəˈlɑstən/
Belasten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van belasten
belastenhele werkwoord — belastteverleden tijd enkelvoud — belasttenverleden tijd meervoud — belastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belast | belastte |
| jij | belast | belastte |
| hij, zij, het | belast | belastte |
| wij | belasten | belastten |
| jullie | belasten | belastten |
| zij | belasten | belastten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| belast | gebiedende wijs |
| belast | verleden tijd, deelwoord |
| belast je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| belast me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| belast te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| belast te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| belast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belast te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belast te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belast u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| belast u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| belast u/je , belast je | gebiedende wijs |
| belast worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| belast zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| belast zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| belast zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| belast zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| belast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belast zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belast zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belaste | aanvoegende wijs |
| belaste zich | aanvoegende wijs |
| belasten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| belasten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| belasten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| belastend | onvoltooid, deelwoord |
| belastte | verleden tijd |
| belastte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| belastte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| belastte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| belastte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| belastte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| belastte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| belastte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| belastten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| belastten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| belastten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ben belast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is belast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was belast | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd belast | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt belast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal belast worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal belast zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou belast worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou belast zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is belast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te belasten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen belasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart belast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren belast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren belast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren belast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was belast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was belast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was belast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt belast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word belast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden belast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden belast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden belast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt belast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt belast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal belast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal belast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal belasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal belasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me belasten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich belasten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je belasten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich belast hebben | verleden tijd |
| zich belastend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn belast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn belast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt belast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van last met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van belasten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belastte | verleden tijd | belasten |
| belastten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | belasten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belasten zijn vastgelegd.