Naar de inhoud

belasten

gewichten plaatsen op

belasten

werkwoord bəˈlɑstə(n)

Betekenis

  1. gewichten plaatsen op
  2. als prestatie vergen
  3. opdracht geven tot
  4. iets bezwaren met een verplichting bijv. belasting heffen op
  5. zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen

Hoe spreek je belasten uit?

/bəˈlɑstən/

Belasten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈlɑstən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
l land
ɑ bad
s sok
t tak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van belasten

belastenhele werkwoord — belastteverleden tijd enkelvoud — belasttenverleden tijd meervoud — belastvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik belast belastte
jij belast belastte
hij, zij, het belast belastte
wij belasten belastten
jullie belasten belastten
zij belasten belastten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
belast gebiedende wijs
belast verleden tijd, deelwoord
belast je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
belast me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
belast te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
belast te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
belast te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
belast te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
belast te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
belast u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
belast u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
belast u/je , belast je gebiedende wijs
belast worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
belast zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
belast zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
belast zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
belast zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
belast zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
belast zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
belast zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
belaste aanvoegende wijs
belaste zich aanvoegende wijs
belasten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
belasten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
belasten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
belastend onvoltooid, deelwoord
belastte verleden tijd
belastte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
belastte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
belastte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
belastte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
belastte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
belastte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
belastte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
belastten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
belastten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
belastten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ben belast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is belast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was belast impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd belast impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt belast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal belast worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal belast zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou belast worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou belast zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had belast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had belast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had belast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden belast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden belast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden belast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt belast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb belast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben belast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben belast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is belast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te belasten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben belast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen belasten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart belast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren belast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren belast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren belast voltooid, verleden tijd, derde persoon
was belast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was belast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was belast voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt belast enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word belast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden belast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden belast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden belast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt belast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt belast enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal belast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal belast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal belast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal belast worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal belast worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal belast zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal belast zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal belasten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal belasten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal belasten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me belasten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich belasten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je belasten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich belast hebben verleden tijd
zich belastend onvoltooid, deelwoord
zijn belast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn belast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt belast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou belast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou belast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou belast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou belast zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou belast zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou belast zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden belast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden belast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden belast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden belast zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden belast zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden belast zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt belast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt belast worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt belast zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt belasten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen belast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen belast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen belast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen belast worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Afgeleid van last met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van belasten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
belastte verleden tijd belasten
belastten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon belasten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belasten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over belasten

Hoe spreek je belasten uit?
De uitspraak van belasten is: /bəˈlɑstə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent belasten?
Belasten is een werkwoord. Het woord betekent: gewichten plaatsen op. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je belasten?
Je vervoegt belasten als volgt: de tegenwoordige tijd is belast, de verleden tijd is belastte en het voltooid deelwoord is belast. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op belasten?

Belasten rijmt op 16 woorden op -asten; tasten, afgelasten en kasten bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op belasten, uitspraak bəˈlɑstən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
tasten 2
afgelasten 4
kasten 2
gasten 2
lasten 2
ontlasten 3
casten 2
badkamerkasten 5
bezemkasten 4
boekenkasten 4
kettingkasten 4
keukenkasten 4
ladekasten 4
ribbenkasten 4
spasten 2
winkelkasten 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord belasten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. A 1
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

belasten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. L 3
  4. A 1
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

belasten in het kort

belasten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van belasten zijn 101 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort belasten bij een woordfamilie van 2 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

belasten: gewichten plaatsen op
Deel belasten — standaardnederlands.nl