akker
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɑkərBetekenis
- afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worden met een gewas
Hoe spreek je akker uit?
/ˈɑkər/
Akker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| akkers | meervoud |
| akkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| akkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
- gebiedende wijs van akkeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
Vervoeging van akker
akkerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stuk bouwland’ voor het eerst aangetroffen in 821
Woordfamilie van akker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| akkers | meervoud | akker |
| akkertje | verkleinwoord | akker |
| akkertjes | verkleinwoord meervoud | akker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van akker zijn vastgelegd.