luizen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlœyzə(n)Betekenis
- luizen vangen
- ergens in lopen
- nog even blijven in bed blijven liggen tijdens het ontwaken
- jonge okselscheuten weghalen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je luizen uit?
/ˈlœyzən/
Luizen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œy | huis |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van luizen
luizenhele werkwoord — luisdeverleden tijd enkelvoud — luisdenverleden tijd meervoud — geluisdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | luis | luisde |
| jij | luist | luisde |
| hij, zij, het | luist | luisde |
| wij | luizen | luisden |
| jullie | luizen | luisden |
| zij | luizen | luisden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geluisd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geluisd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geluisd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geluisd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geluisd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geluisd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geluisd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geluisd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geluisd | verleden tijd, deelwoord |
| geluisd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geluisd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geluisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geluisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geluisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geluisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geluisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geluisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geluisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| luis | gebiedende wijs |
| luisde | verleden tijd |
| luize | aanvoegende wijs |
| luizend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geluisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te luizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen luizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geluisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt luizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen luizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geluisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult luizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord luis
Herkomst
ww: afgeleid van luis zn met het achtervoegsel -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt
Woordfamilie van luizen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geluisd | voltooid deelwoord | luizen |
| geluisde | woordvorm | luizen |
| luisde | verleden tijd | luizen |
| luisden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | luizen |
| luize | aanvoegende wijs | luizen |
| luizend | onvoltooid deelwoord | luizen |
| luizende | woordvorm | luizen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luizen zijn vastgelegd.