kwartet
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een groep van vier muzikanten
- een muziekstuk voor vier musici
- een groep van vier personen
- een kaartspel waarin getracht moet worden zo veel mogelijk kwartetten (vier bij elkaar horende kaarten) te verzamelen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kwartetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kwartetjes | verkleinwoord, meervoud |
| kwartetten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van kwartetten
- gebiedende wijs van kwartetten
Vervoeging van kwartet
kwartethele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kaartspel met stellen van vier bijeenhorende kaarten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1926
Woordfamilie van kwartet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kwartetje | verkleinwoord | kwartet |
| kwartetjes | verkleinwoord meervoud | kwartet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwartet zijn vastgelegd.