kruising
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een punt waar twee of meer wegen samenkomen
- de snijpaal van een doelpaal met de lat
- een soort bevruchting bij planten en dieren van exemplaren van een soort of ras door exemplaren van een ander ras
- soort ontstaan door de paring van twee individuen van verschillende rassen of soorten
- een persoon of zaak die bepaalde eigenschappen van twee andere personen of zaken in zich verenigt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kruisingen | meervoud |
| kruisinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kruisinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van kruisen met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van kruising
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kruisingen | meervoud | kruising |
| kruisinkje | verkleinwoord | kruising |
| kruisinkjes | verkleinwoord meervoud | kruising |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruising zijn vastgelegd.