koken
werkwoord ˈkokə(n)Betekenis
- vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
- het proces waarbij bellen uit de hele vloeistof vrijkomen
- met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
Hoe spreek je koken uit?
/ˈkokən/
Koken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een vloeistof (vooral water) net zolang verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen transitive
Vervoeging van koken
kokenhele werkwoord — kookteverleden tijd enkelvoud — kooktenverleden tijd meervoud — gekooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kook | kookte |
| jij | kookt | kookte |
| hij, zij, het | kookt | kookte |
| wij | koken | kookten |
| jullie | koken | kookten |
| zij | koken | kookten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekookt | verleden tijd, deelwoord |
| gekookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koke | aanvoegende wijs |
| kokend | onvoltooid, deelwoord |
| kook | gebiedende wijs |
| kookte | verleden tijd |
| te hebben gekookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te koken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen koken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt koken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen koken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult koken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhitten, spijzen toebereiden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van koken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kookt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | koken |
| kookte | verleden tijd | koken |
| kookten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | koken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koken zijn vastgelegd.