Naar de inhoud

roken

rook afgeven

roken is meer dan één woord

roken

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈroːkə(n)/

Betekenis

  1. rook afgeven
  2. een genotsmiddel, voornamelijk tabak, nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  3. (m.b.t. rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.

Hoe spreek je roken uit?

/ˈrokən/

Roken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrokən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
o boot
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan transitive
  2. conserveren door langdurige blootstelling aan rook. transitive

Vervoeging van roken

rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rook rookte
jij rookt rookte
hij, zij, het rookt rookte
wij roken rookten
jullie roken rookten
zij roken rookten
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[A] roken canonical
er is gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerookt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerookt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerookt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerookt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerookt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerookt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerookt verleden tijd, deelwoord
gerookt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerookt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
roke aanvoegende wijs
rokend onvoltooid, deelwoord
rook gebiedende wijs
rookte verleden tijd
te hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te roken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van ruiken

Vervoeging van roken

rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rook rookte
jij rookt rookte
hij, zij, het rookt rookte
wij roken rookten
jullie roken rookten
zij roken rookten
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[A] roken canonical
er is gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerookt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerookt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerookt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerookt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerookt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerookt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerookt verleden tijd, deelwoord
gerookt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerookt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
roke aanvoegende wijs
rokend onvoltooid, deelwoord
rook gebiedende wijs
rookte verleden tijd
te hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te roken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van rieken

Vervoeging van roken

rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rook rookte
jij rookt rookte
hij, zij, het rookt rookte
wij roken rookten
jullie roken rookten
zij roken rookten
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[A] roken canonical
er is gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerookt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerookt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerookt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerookt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerookt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerookt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerookt verleden tijd, deelwoord
gerookt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerookt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
roke aanvoegende wijs
rokend onvoltooid, deelwoord
rook gebiedende wijs
rookte verleden tijd
te hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te roken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

werkwoord

  1. stapelen in oppers historical, transitive

Vervoeging van roken

rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rook rookte
jij rookt rookte
hij, zij, het rookt rookte
wij roken rookten
jullie roken rookten
zij roken rookten
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[B] roken canonical
er is gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerookt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerookt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerookt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerookt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerookt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerookt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerookt verleden tijd, deelwoord
gerookt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerookt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
roke aanvoegende wijs
rokend onvoltooid, deelwoord
rook gebiedende wijs
rookte verleden tijd
te hebben gerookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te roken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt roken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen roken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult roken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord rook

Woordfamilie van roken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
roke aanvoegende wijs roken
rokend onvoltooid deelwoord roken
rookt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon roken
rookte verleden tijd roken
rookten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon roken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over roken

Hoe spreek ik roken uit?
Zo spreek je roken uit: /ˈroːkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van roken?
Roken is een werkwoord. De betekenis is: rook afgeven. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik roken?
Zo vervoeg je roken zo: de tegenwoordige tijd is rook, de verleden tijd is rookte en het voltooid deelwoord is gerookt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op roken?

Er staan 16 woorden in dit woordenboek die op roken rijmen, waaronder koken, aangestoken en spoken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op roken, uitspraak ˈrokən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
koken 2
aangestoken 4
spoken 2
joken 2
ongebroken 4
bestoken 3
karaoken 4
aangebroken 4
aangesproken 4
beloken 3
doorgestoken 4
gebroken 3
geroken 3
knoken 2
sproken 2
uitgesproken 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord roken is 8 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. O 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 8 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

roken levert met Wordfeud minimaal 8 en maximaal 42 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. O 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 8 zonder bonus
  7. 42 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

roken telt 5 letters, waarvan 5 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

roken in het kort

roken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van roken staan er 42 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort roken bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

roken: rook afgeven
Deel roken — standaardnederlands.nl