roken
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈroːkə(n)/Betekenis
- rook afgeven
- een genotsmiddel, voornamelijk tabak, nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
- (m.b.t. rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.
Hoe spreek je roken uit?
/ˈrokən/
Roken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| o | boot |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- nuttigen door het inhaleren van de rook ervan transitive
- conserveren door langdurige blootstelling aan rook. transitive
Vervoeging van roken
rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rook | rookte |
| jij | rookt | rookte |
| hij, zij, het | rookt | rookte |
| wij | roken | rookten |
| jullie | roken | rookten |
| zij | roken | rookten |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] roken | canonical |
| er is gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerookt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerookt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerookt | verleden tijd, deelwoord |
| gerookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roke | aanvoegende wijs |
| rokend | onvoltooid, deelwoord |
| rook | gebiedende wijs |
| rookte | verleden tijd |
| te hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van ruiken
Vervoeging van roken
rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rook | rookte |
| jij | rookt | rookte |
| hij, zij, het | rookt | rookte |
| wij | roken | rookten |
| jullie | roken | rookten |
| zij | roken | rookten |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] roken | canonical |
| er is gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerookt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerookt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerookt | verleden tijd, deelwoord |
| gerookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roke | aanvoegende wijs |
| rokend | onvoltooid, deelwoord |
| rook | gebiedende wijs |
| rookte | verleden tijd |
| te hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van rieken
Vervoeging van roken
rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rook | rookte |
| jij | rookt | rookte |
| hij, zij, het | rookt | rookte |
| wij | roken | rookten |
| jullie | roken | rookten |
| zij | roken | rookten |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] roken | canonical |
| er is gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerookt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerookt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerookt | verleden tijd, deelwoord |
| gerookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roke | aanvoegende wijs |
| rokend | onvoltooid, deelwoord |
| rook | gebiedende wijs |
| rookte | verleden tijd |
| te hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
werkwoord
- stapelen in oppers historical, transitive
Vervoeging van roken
rokenhele werkwoord — rookteverleden tijd enkelvoud — rooktenverleden tijd meervoud — gerooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rook | rookte |
| jij | rookt | rookte |
| hij, zij, het | rookt | rookte |
| wij | roken | rookten |
| jullie | roken | rookten |
| zij | roken | rookten |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] roken | canonical |
| er is gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerookt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerookt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerookt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerookt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerookt | verleden tijd, deelwoord |
| gerookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roke | aanvoegende wijs |
| rokend | onvoltooid, deelwoord |
| rook | gebiedende wijs |
| rookte | verleden tijd |
| te hebben gerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rook
Woordfamilie van roken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roke | aanvoegende wijs | roken |
| rokend | onvoltooid deelwoord | roken |
| rookt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | roken |
| rookte | verleden tijd | roken |
| rookten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roken zijn vastgelegd.