spoken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈspokə(n)Betekenis
- rondwaren, dolen als een spook
- door spoken bezocht worden
Hoe spreek je spoken uit?
/ˈspokən/
Spoken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| o | boot |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- stormen of onweren impersonal, intransitive
Vervoeging van spoken
spokenhele werkwoord — spookteverleden tijd enkelvoud — spooktenverleden tijd meervoud — gespooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spook | spookte |
| jij | spookt | spookte |
| hij, zij, het | spookt | spookte |
| wij | spoken | spookten |
| jullie | spoken | spookten |
| zij | spoken | spookten |
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespookt | verleden tijd, deelwoord |
| gespookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespookt | verleden tijd, deelwoord |
| heeft gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spoke | aanvoegende wijs |
| spokend | onvoltooid, deelwoord |
| spook | gebiedende wijs |
| spookt | tegenwoordige tijd |
| spookte | verleden tijd |
| te hebben gespookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spoken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spoken | toekomende tijd |
| zal spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spook
Woordfamilie van spoken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespookt | voltooid deelwoord | spoken |
| spoke | aanvoegende wijs | spoken |
| spokend | onvoltooid deelwoord | spoken |
| spokende | woordvorm | spoken |
| spookt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spoken |
| spookte | verleden tijd | spoken |
| spookten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spoken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spoken zijn vastgelegd.