kokkeren
werkwoordBetekenis
- een geluid maken zoals de fazanthaan doet bij het opvliegen
- kokhalzen
- voor kok spelen
Vervoeging van kokkeren
kokkerenhele werkwoord — kokkerdeverleden tijd enkelvoud — kokkerdenverleden tijd meervoud — gekokkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kokker | kokkerde |
| jij | kokkert | kokkerde |
| hij, zij, het | kokkert | kokkerde |
| wij | kokkeren | kokkerden |
| jullie | kokkeren | kokkerden |
| zij | kokkeren | kokkerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekokkerd | verleden tijd, deelwoord |
| gekokkerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekokkerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekokkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekokkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekokkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekokkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekokkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekokkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekokkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekokkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekokkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kokker | gebiedende wijs |
| kokkerde | verleden tijd |
| kokkere | aanvoegende wijs |
| kokkerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekokkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kokkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kokkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekokkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kokkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekokkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kokkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] onomatopee
Woordfamilie van kokkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekokkerd | voltooid deelwoord | kokkeren |
| kokker | gebiedende wijs | kokkeren |
| kokkerde | verleden tijd | kokkeren |
| kokkerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kokkeren |
| kokkere | aanvoegende wijs | kokkeren |
| kokkerend | onvoltooid deelwoord | kokkeren |
| kokkerende | woordvorm | kokkeren |
| kokkert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kokkeren |
| kokkers | meervoud | kokker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kokkeren zijn vastgelegd.