jong
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord jɔŋBetekenis
- van geringe leeftijd
- een directe nakomeling van een dier
Hoe spreek je jong uit?
/jɔŋ/
Jong bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
bijvoeglijk naamwoord
- recent, van nog maar kort geleden figuratively
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
zelfstandig naamwoord — neuter
- een directe nakomeling van een dier (m.n. van een zoogdier of reptiel)
- min of meer denigrerende dan wel beledigende benaming voor iemand die minderjarig en van het mannelijk geslacht is (ofwel voor een jongen) informal
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jongen
- gebiedende wijs van jongen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jongen
Vervoeging van jong
jonghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘jeugdig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van jong
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jonger | vergrotende trap | jong |
| jongers | partitieve vergrotende trap | jong |
| jongs | partitive, positive | jong |
| jongst | uninflected, superlative | jong |
| jongste | inflected, superlative | jong |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jong zijn vastgelegd.