tong
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɔŋBetekenis
- beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
- wat gesproken wordt, gesproken taal
- wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen
- een om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis (Solea solea)
- bij een slot: dat gedeelte van de schieter dat naar buiten komt
- onderdeel van een muziekinstrument
- taal
- platvis
Hoe spreek je tong uit?
/tɔŋ/
Tong bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- rundertong als voedingsmiddel
- om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis, Solea solea
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tongen | meervoud |
| tongetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tongetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tongen
- gebiedende wijs van tongen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tongen
Vervoeging van tong
tonghele werkwoord
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘orgaan in de mond’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van tong
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tongetje | verkleinwoord | tong |
| tongetjes | verkleinwoord meervoud | tong |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tong zijn vastgelegd.