jaap
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- lelijke wond, diepe snee
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jaapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jaapjes | verkleinwoord, meervoud |
| japen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van japen
- gebiedende wijs van japen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van japen
Vervoeging van jaap
jaaphele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘diepe snijwond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
Woordfamilie van jaap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jaapje | verkleinwoord | jaap |
| jaapjes | verkleinwoord meervoud | jaap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jaap zijn vastgelegd.