hoef
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɦuf/Betekenis
- een overdekking van het uiteinde van de voet
Hoe spreek je hoef uit?
/huf/
Hoef bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| u | boek |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vergrote, voortdurend doorgroeiende teennagel die het derde teenkootje omgeeft en vaak zeer is versterkt om het gewicht van hoefdieren te dragen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoefjes | verkleinwoord, meervoud |
| hoeven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven
- gebiedende wijs van hoeven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven
Vervoeging van hoef
hoefhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘hoornschoen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287.
Woordfamilie van hoef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoefje | verkleinwoord | hoef |
| hoefjes | verkleinwoord meervoud | hoef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoef zijn vastgelegd.