roef
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel rufBetekenis
- overdekt deel van een binnenvaartschip waar de schipper en zijn gezin kunnen wonen
- geeft aan dat iets in een snelle beweging wordt gedaan of opeens gebeurt
Hoe spreek je roef uit?
/ruf/
Roef bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| u | boek |
| f | fiets |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roefjes | verkleinwoord, meervoud |
| roeven | meervoud |
Herkomst
zn: van Middelnederlands roef in de betekenis van ‘overdekt deel van schip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285; cognaat met Engels roof, Middelengels rof en Angelsaksisch hrōf, Middelnederduits rof, Oudfries hrōf, Oudnoords hrōf, via Oergermaans *hrōfą teruggaand op Proto-Indo-Europees *krāpo "dak"; vergelijk buiten de Germaanse talen bij de Slavische talen Russisch строп, Pools strop en Oudkerkslavisch stropŭ "dak" en bij de Keltische talen Iers cró, Oudiers cró, Schots-Gaelisch craw "stal"
Woordfamilie van roef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roefje | verkleinwoord | roef |
| roefjes | verkleinwoord meervoud | roef |
| roeven | meervoud | roef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roef zijn vastgelegd.