hoefdier
zelfstandig naamwoord ˈhuvdirBetekenis
- een dier dat hoeven bezit
Hoe spreek je hoefdier uit?
/ˈhuvdir/
Hoefdier bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| u | boek |
| v | vis |
| d | dak |
| i | riet |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- benaming voor een groot, viervoetig, meestal plantenetend zoogdier dat (vaak zeer harde) voortdurend doorgroeiende hoeven bezit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoefdieren | meervoud |
| hoefdiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoefdiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hoef zn en dier zn , in de betekenis van ‘hoefdragend zoogdier’ aangetroffen vanaf 1921
Woordfamilie van hoefdier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoefdiertje | verkleinwoord | hoefdier |
| hoefdiertjes | verkleinwoord meervoud | hoefdier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoefdier zijn vastgelegd.