geschieden
werkwoord ɣəˈsxidə(n)Betekenis
- werkelijkheid worden
Hoe spreek je geschieden uit?
/xəˈsxidən/
Geschieden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| s | sok |
| i | riet |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van geschieden
geschiedenhele werkwoord — geschieddeverleden tijd enkelvoud — geschieddenverleden tijd meervoud — geschiedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geschied | geschiedde |
| jij | geschiedt | geschiedde |
| hij, zij, het | geschiedt | geschiedde |
| wij | geschieden | geschiedden |
| jullie | geschieden | geschiedden |
| zij | geschieden | geschiedden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschied | gebiedende wijs |
| geschied | verleden tijd, deelwoord |
| geschied te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschied zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschiedde | verleden tijd |
| geschiede | aanvoegende wijs |
| geschiedend | onvoltooid, deelwoord |
| is geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te geschieden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geschied | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen geschieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschied | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschied | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschied | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschied | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschied | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschied | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschied | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschied | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschied | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschied zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschied zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschieden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gebeuren’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van geschieden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschied | voltooid deelwoord | geschieden |
| geschiedde | verleden tijd | geschieden |
| geschiedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | geschieden |
| geschiede | aanvoegende wijs | geschieden |
| geschiedend | onvoltooid deelwoord | geschieden |
| geschiedende | woordvorm | geschieden |
| geschiedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | geschieden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geschieden zijn vastgelegd.