gelden
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ɣɛldə(n)/Betekenis
- waarde bezitten
- in werking zijn
Hoe spreek je gelden uit?
/xɛldən/
Gelden bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɛ | bed |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van gelden
geldenhele werkwoord — goldverleden tijd enkelvoud — goldenverleden tijd meervoud — gegoldenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geld | gold |
| jij | geldt | gold |
| hij, zij, het | geldt | gold |
| wij | gelden | golden |
| jullie | gelden | golden |
| zij | gelden | golden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegolden | verleden tijd, deelwoord |
| gegolden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegolden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geld | gebiedende wijs |
| gelde | aanvoegende wijs |
| geldend | onvoltooid, deelwoord |
| gold | verleden tijd |
| had gegolden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegolden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegolden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegolden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegolden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegolden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegolden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegolden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegolden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegolden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegolden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegolden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord geld
Herkomst
In de betekenis van ‘meetellen, van kracht zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1237
Woordfamilie van gelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegolden | voltooid deelwoord | gelden |
| geldend | onvoltooid deelwoord | gelden |
| geldt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gelden |
| gold | verleden tijd | gelden |
| golden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gelden |
| goldt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | gelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelden zijn vastgelegd.