Naar de inhoud

fietsen

op een fiets rijden

fietsen is meer dan één woord

fietsen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈfitsə(n)

Betekenis

  1. op een fiets rijden

Hoe spreek je fietsen uit?

/ˈfitsən/

Fietsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈfitsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
f fiets
i riet
t tak
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van fietsen

fietsenhele werkwoord — fietsteverleden tijd enkelvoud — fietstenverleden tijd meervoud — gefietstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fiets fietste
jij fietst fietste
hij, zij, het fietst fietste
wij fietsen fietsten
jullie fietsen fietsten
zij fietsen fietsten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
fiets gebiedende wijs
fietse aanvoegende wijs
fietsend onvoltooid, deelwoord
fietste verleden tijd
gefietst verleden tijd, deelwoord
gefietst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefietst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefietst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefietst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefietst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefietst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefietst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefietst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fietsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefietst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fietsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefietst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fietsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefietst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord fiets

Herkomst

Afgeleid van fiets met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van fietsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fietse aanvoegende wijs fietsen
fietsend onvoltooid deelwoord fietsen
fietsende woordvorm fietsen
fietst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon fietsen
fietste verleden tijd fietsen
fietsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fietsen
gefietst voltooid deelwoord fietsen
gefietste woordvorm fietsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over fietsen

Hoe spreek je fietsen uit?
De uitspraak van fietsen is: /ˈfitsə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent fietsen?
Fietsen is een werkwoord. Het woord betekent: op een fiets rijden.
Hoe vervoeg je fietsen?
Je vervoegt fietsen als volgt: de tegenwoordige tijd is fiets, de verleden tijd is fietste en het voltooid deelwoord is gefietst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op fietsen?

Op fietsen rijmen 6 woorden, onder andere spietsen, spitzen en ambulancefietsen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op fietsen, uitspraak ˈfitsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
spietsen 2
spitzen 2
ambulancefietsen 6
befietsen 3
dikkebandenfietsen 6
fluisterfietsen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fietsen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. I 1
  3. E 1
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fietsen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. I 2
  3. E 1
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

fietsen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

fietsen in het kort

fietsen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van fietsen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort fietsen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

fietsen: op een fiets rijden
Deel fietsen — standaardnederlands.nl