fietsafstand
zelfstandig naamwoord ˈfitsɑfstɑntBetekenis
- afstand die wordt afgelegd tussen twee punten als men de fietsroutes volgt
- afstand die geacht wordt binnen een redelijke tijd te befietsen te zijn
Hoe spreek je fietsafstand uit?
/ˈfitsɑfstɑnt/
Fietsafstand bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| i | riet |
| t | tak |
| s | sok |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietsafstanden | meervoud |
| fietsafstandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietsafstandjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets ww en afstand
Woordfamilie van fietsafstand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietsafstanden | meervoud | fietsafstand |
| fietsafstandje | verkleinwoord | fietsafstand |
| fietsafstandjes | verkleinwoord meervoud | fietsafstand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsafstand zijn vastgelegd.