fietscomputer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- op een fiets gemonteerd apparaatje dat de afgelegde afstand en de (gemiddelde) snelheid registreert en die op een beeldscherm weergeeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietscomputers | meervoud |
| fietscomputertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietscomputertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets en computer
Woordfamilie van fietscomputer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietscomputers | meervoud | fietscomputer |
| fietscomputertje | verkleinwoord | fietscomputer |
| fietscomputertjes | verkleinwoord meervoud | fietscomputer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietscomputer zijn vastgelegd.