degelijk
bijvoeglijk naamwoord ˈdeɣələkBetekenis
- goed tegen een stootje kunnend, niet snel kapot gaand
- (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren, saai
Hoe spreek je degelijk uit?
/ˈdexələk/
Degelijk bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- eerlijk, oprecht, net in zijn manieren, saai
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| degelijke | verbogen, stellende trap |
| degelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| degelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| degelijkers | partitief, vergrotende trap |
| degelijks | partitief, stellende trap |
| degelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| degelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
van Middelnederlands degelijc, op te vatten als afgeleid van het verouderde deeg (voorspoed, voordeel) met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-, in de betekenis van ‘deugdelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1327
Woordfamilie van degelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| degelijke | verbogen vorm | degelijk |
| degelijker | vergrotende trap | degelijk |
| degelijkere | verbogen vergrotende trap | degelijk |
| degelijkers | partitieve vergrotende trap | degelijk |
| degelijks | partitive, positive | degelijk |
| degelijkst | uninflected, superlative | degelijk |
| degelijkste | inflected, superlative | degelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van degelijk zijn vastgelegd.