declareren
werkwoordBetekenis
- een declaratie indienen b.v. t.a.v. gemaakte onkosten, opgeven
- aangifte doen van goederen bij de douane of voor de belasting, aangeven
- het specificeren van naam en type van een variabele in een computerprogramma, opgeven
- zich ~: zich over iets uitspreken, verklaren
Vervoeging van declareren
declarerenhele werkwoord — declareerdeverleden tijd enkelvoud — declareerdenverleden tijd meervoud — gedeclareerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | declareer | declareerde |
| jij | declareert | declareerde |
| hij, zij, het | declareert | declareerde |
| wij | declareren | declareerden |
| jullie | declareren | declareerden |
| zij | declareren | declareerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| declareer | gebiedende wijs |
| declareer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| declareer u/je , declareert je | gebiedende wijs |
| declareerde | verleden tijd |
| declareerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| declareerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| declareerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| declareerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| declareerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| declareerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| declareerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| declareerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| declareerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| declareerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| declareert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| declareert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| declareert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| declareert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| declareert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| declareert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| declarere | aanvoegende wijs |
| declarere zich | aanvoegende wijs |
| declareren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| declareren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| declareren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| declarerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedeclareerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedeclareerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedeclareerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedeclareerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedeclareerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedeclareerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedeclareerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedeclareerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedeclareerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedeclareerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedeclareerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedeclareerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeclareerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeclareerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeclareerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedeclareerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedeclareerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedeclareerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedeclareerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeclareerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te declareren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedeclareerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen declareren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedeclareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedeclareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal declareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal declareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal declareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedeclareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeclareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedeclareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedeclareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeclareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me declareren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich declareren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je declareren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich declarerend | onvoltooid, deelwoord |
| zich gedeclareerd hebben | verleden tijd |
| zijn gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedeclareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt declareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedeclareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedeclareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedeclareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen declareren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen declareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen declareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen declareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een declaratie indienen’ voor het eerst aangetroffen in 1753
Woordfamilie van declareren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| declareer | gebiedende wijs | declareren |
| declareerde | verleden tijd | declareren |
| declareerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | declareren |
| declareert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | declareren |
| declarere | aanvoegende wijs | declareren |
| declarerend | onvoltooid deelwoord | declareren |
| declarerende | woordvorm | declareren |
| gedeclareerd | voltooid deelwoord | declareren |
| gedeclareerde | woordvorm | declareren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van declareren zijn vastgelegd.