Naar de inhoud

declareren

een declaratie indienen b.v. t.a.v. gemaakte onkosten, opgeven

declareren

werkwoord

Betekenis

  1. een declaratie indienen b.v. t.a.v. gemaakte onkosten, opgeven
  2. aangifte doen van goederen bij de douane of voor de belasting, aangeven
  3. het specificeren van naam en type van een variabele in een computerprogramma, opgeven
  4. zich ~: zich over iets uitspreken, verklaren

Vervoeging van declareren

declarerenhele werkwoord — declareerdeverleden tijd enkelvoud — declareerdenverleden tijd meervoud — gedeclareerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik declareer declareerde
jij declareert declareerde
hij, zij, het declareert declareerde
wij declareren declareerden
jullie declareren declareerden
zij declareren declareerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
declareer gebiedende wijs
declareer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
declareer u/je , declareert je gebiedende wijs
declareerde verleden tijd
declareerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
declareerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
declareerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
declareerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
declareerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
declareerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
declareerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
declareerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
declareerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
declareerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
declareert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
declareert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
declareert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
declareert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
declareert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
declareert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
declarere aanvoegende wijs
declarere zich aanvoegende wijs
declareren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
declareren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
declareren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
declarerend onvoltooid, deelwoord
er is gedeclareerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedeclareerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedeclareerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedeclareerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedeclareerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedeclareerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedeclareerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedeclareerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedeclareerd verleden tijd, deelwoord
gedeclareerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedeclareerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedeclareerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeclareerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeclareerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeclareerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedeclareerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedeclareerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedeclareerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedeclareerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedeclareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedeclareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedeclareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedeclareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedeclareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedeclareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedeclareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeclareerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te declareren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedeclareerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen declareren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedeclareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedeclareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedeclareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedeclareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedeclareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedeclareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedeclareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedeclareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal declareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal declareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal declareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedeclareerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeclareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedeclareerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedeclareerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeclareerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me declareren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich declareren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je declareren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich declarerend onvoltooid, deelwoord
zich gedeclareerd hebben verleden tijd
zijn gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedeclareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt declareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedeclareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedeclareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedeclareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen declareren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen declareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen declareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen declareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een declaratie indienen’ voor het eerst aangetroffen in 1753

Woordfamilie van declareren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
declareer gebiedende wijs declareren
declareerde verleden tijd declareren
declareerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon declareren
declareert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon declareren
declarere aanvoegende wijs declareren
declarerend onvoltooid deelwoord declareren
declarerende woordvorm declareren
gedeclareerd voltooid deelwoord declareren
gedeclareerde woordvorm declareren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van declareren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over declareren

Wat is de betekenis van declareren?
Declareren is een werkwoord. De betekenis is: een declaratie indienen b.v. t.a.v. gemaakte onkosten, opgeven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik declareren?
Zo vervoeg je declareren zo: de tegenwoordige tijd is declareer, de verleden tijd is declareerde en het voltooid deelwoord is gedeclareerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord declareren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. C 5
  4. L 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

declareren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. C 5
  4. L 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

declareren in het kort

declareren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van declareren staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort declareren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

declareren: een declaratie indienen b.v. t.a.v. gemaakte onkosten, opgeven
Deel declareren — standaardnederlands.nl