rammen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrɑmə(n)Betekenis
- een opzettelijke botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
- (in een belegering) met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
- in inelkaar ~: aframmeling geven, aframmelen, afranselen
Hoe spreek je rammen uit?
/ˈrɑmən/
Rammen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan transitive
Vervoeging van rammen
rammenhele werkwoord — ramdeverleden tijd enkelvoud — ramdenverleden tijd meervoud — geramdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ram | ramde |
| jij | ramt | ramde |
| hij, zij, het | ramt | ramde |
| wij | rammen | ramden |
| jullie | rammen | ramden |
| zij | rammen | ramden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geramd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geramd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geramd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geramd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geramd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geramd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geramd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geramd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geramd | verleden tijd, deelwoord |
| geramd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geramd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geramd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geramd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geramd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geramd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geramd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geramd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geramd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geramd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geramd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geramd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geramd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geramd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geramd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ram | gebiedende wijs |
| ramde | verleden tijd |
| ramme | aanvoegende wijs |
| rammend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geramd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rammen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geramd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geramd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geramd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geramd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geramd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geramd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geramd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geramd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geramd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geramd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geramd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geramd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geramd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geramd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geramd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geramd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geramd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geramd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geramd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geramd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ram
Herkomst
Afgeleid van ram “stampblok” met het achtervoegsel -en.
Woordfamilie van rammen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geramd | voltooid deelwoord | rammen |
| geramde | woordvorm | rammen |
| ramde | verleden tijd | rammen |
| ramden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rammen |
| ramme | aanvoegende wijs | rammen |
| rammend | onvoltooid deelwoord | rammen |
| rammende | woordvorm | rammen |
| ramt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rammen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rammen zijn vastgelegd.