zwammen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈzʋɑmə(n)/Betekenis
- doelloos en onzinnig praten
Hoe spreek je zwammen uit?
/ˈzwɑmən/
Zwammen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zwammen
zwammenhele werkwoord — zwamdeverleden tijd enkelvoud — zwamdenverleden tijd meervoud — gezwamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwam | zwamde |
| jij | zwamt | zwamde |
| hij, zij, het | zwamt | zwamde |
| wij | zwammen | zwamden |
| jullie | zwammen | zwamden |
| zij | zwammen | zwamden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezwamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezwamd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezwamd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezwamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezwamd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezwamd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezwamd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezwamd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwamd | verleden tijd, deelwoord |
| gezwamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwammen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwam | gebiedende wijs |
| zwamde | verleden tijd |
| zwamme | aanvoegende wijs |
| zwammend | onvoltooid, deelwoord |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwam
Herkomst
In de betekenis van ‘kletsen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1882
Woordfamilie van zwammen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwamd | voltooid deelwoord | zwammen |
| gezwamde | woordvorm | zwammen |
| zwamde | verleden tijd | zwammen |
| zwamden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwammen |
| zwamme | aanvoegende wijs | zwammen |
| zwammend | onvoltooid deelwoord | zwammen |
| zwammende | woordvorm | zwammen |
| zwamt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwammen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwammen zijn vastgelegd.