drammen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- aandringen, aanhoudend zeuren, zaniken, zeiken, je zin proberen te krijgen op een vervelende manier
Vervoeging van drammen
drammenhele werkwoord — dramdeverleden tijd enkelvoud — dramdenverleden tijd meervoud — gedramdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dram | dramde |
| jij | dramt | dramde |
| hij, zij, het | dramt | dramde |
| wij | drammen | dramden |
| jullie | drammen | dramden |
| zij | drammen | dramden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dram | gebiedende wijs |
| dramde | verleden tijd |
| dramme | aanvoegende wijs |
| drammend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedramd | verleden tijd, deelwoord |
| gedramd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedramd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedramd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedramd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedramd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedramd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedramd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedramd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedramd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te drammen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedramd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen drammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt drammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedramd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen drammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult drammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedramd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dram
Herkomst
In de betekenis van ‘aandringen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van drammen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dramde | verleden tijd | drammen |
| dramden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | drammen |
| dramme | aanvoegende wijs | drammen |
| drammend | onvoltooid deelwoord | drammen |
| drammende | woordvorm | drammen |
| dramt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | drammen |
| gedramd | voltooid deelwoord | drammen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van drammen zijn vastgelegd.