calculator
zelfstandig naamwoord /kɑlkʏˈlatɔr/Betekenis
- machine dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
- iemand die beroepshalve berekeningen maakt
- rekenmachine, (machine).
- (persoon).
- computer
Hoe spreek je calculator uit?
/kɑlkʏˈlatɔr/
Calculator bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ʏ | put |
| a | maan |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| calculatoren | meervoud |
| calculators | meervoud |
| calculatortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| calculatortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘rekenmachine’ voor het eerst aangetroffen in 1982
Woordfamilie van calculator
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| calculatoren | meervoud | calculator |
| calculators | meervoud | calculator |
| calculatortje | verkleinwoord | calculator |
| calculatortjes | verkleinwoord meervoud | calculator |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van calculator zijn vastgelegd.